Dit artikel verscheen in verkorte vorm in GM2 van winter 2003.

Het rechtbankarchief

De rechtszaak

In 1876 daagt Van der Wurf Van Emmerik voor de rechter wegens het niet nakomen van de voorwaarden in het huurcontract. In de archieven van de rechtbank is helaas niets over deze zaak terug te vinden. Er is in elk geval geen vonnis in gewezen. Wel is het contract tussen huisbaas en huurder verbroken. Dit gebeurde op 10 augustus, precies een dag nadat de rechtszaak zou moeten dienen. Op deze dag is Van der Wurf met zijn vrouw verhuisd naar het Nicolaïkerkhof en een half jaar later is hij teruggekeerd naar zijn geboorteplaats Maartensdijk. De kroeg aan de Springweg wordt overgenomen door de huisbaas zelf totdat hij in 1877 een opvolger heeft gevonden. Vermoedelijk is de zaak in der minne geschikt omdat Van Emmerik niet voor het gerecht wilde verschijnen.
We vinden in het archief van de Rechtbank namelijk nog een andere rechtszaak waar Van Emmerik mee te maken had. Twee maanden voordat Van der Wurf zijn huisbaas liet dagvaarden hebben Van Emmerik en zijn vrouw al eens voor de rechter gestaan.

De inval

Op 14 maart 1876 hebben twee veldwachters een bezoek gebracht aan de winkel en bovenwoning van Van Emmerik, die op dat moment nog in de Brandstraat woonde. Tijdens de rechtzaak volgt een beschrijving van wat er die dag gebeurde.

Mevrouw Van Emmerik stond in de winkel terwijl haar man ziek op bed lag. Bij binnenkomst in de winkel werden door de beide veldwachters al direct twee koperen keteltjes met daaraan een briefje gehecht in beslag genomen. Bij verdere inspectie van het huis door de veldwachters contstateerden deze dat overal in het huis pakjes lagen, en dat er ‘nog wel drie groote wagens vol pakjes en kleedingstukken aanwezig waren, aan de meeste waarvan briefjes waren gehecht met een nummer.’ Ook werd een blikken trommel met goud, zilver en andere voorwerpen voorzien van briefjes gevonden, verstopt in het bed van de zieke. Een groot aantal voorwerpen en een register uit de winkel werd door de veldwachters meegenomen als bewijs.

Veertien dagen later, op 28 maart werden Van Emmerik en zijn vrouw gedagvaard wegens het in ieder geval sinds 1872 ‘hebben opgerigt en gehouden een leenhuis op pand of zekerheid zonder wettige vergunning daartoe te hebben.’ We hebben onze lommerd gevonden. Het stukje lommerd-register dat achter het behang zat was zelfs bewijs in een rechtszaak. De zaak diende op 13 april.

De eis en de uitspraak

De eis tegen Van Emmerik en zijn vrouw was een boete van f250,- en teruggave van het bewijsmateriaal aan de getuigen op de zitting. Uit de verhalen van deze getuigen blijkt hoe arm veel mensen rond de Springweg waren. Alles wat maar enige waarde had werd beleend. Onder de beleende goederen waren kleding, pantoffels, bedgordijnen en zelfs onderbroeken gevonden. De vijftien getuigen die tijdens de rechtszitting werden gehoord verklaarden allen dat ze uit geldnood goederen naar Van Emmerik had gebracht, vooral omdat de Stadsbank van Leening veel te weinig geld zou geven voor hun spulletjes.
Van Emmerik en zijn vrouw ontkenden echter goederen te belenen, volgens hen hadden zij ‘slechts gekocht met regt van wederinkoop’. De getuigen bestreden dit echter ten stelligste. Voor het geld dat Van Emmerik hen gaf hadden ze nooit hun spulletjes willen verkopen omdat die meer waard waren. Als voorbeeld werd een jas van f16,- genoemd. Deze werd bij Van Emmerik beleend voor f4.-. Maar de prijs hiervoor was hoog: voor elke beleende gulden moest wekelijks een stuiver rente worden betaald. Het terugkopen van hun goederen was voor vele klanten welhaast ondoenlijk.

De rechter achtte het ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen: Van Emmerik kreeg een week gevangenisstraf opgelegd en een boete van f50,- plus de kosten van het geding(f28,35). Bovendien moest hij alle getuigen uit het proces hun goederen teruggeven.

>>