Dit artikel verscheen in verkorte vorm in GM2 van winter 2003.

De eigenaar en de bouwgeschiedenis

Het goede adres?

We beginnen met de vraag of de papieren horen bij de bewoners van 'ons' huis.
De gevonden dagvaarding voor de rechtszaak tussen huisbaas en huurder (in 1876) geeft in eerste instantie nog de meeste aanknopingspunten voor onderzoek in het (gemeente)archief. In die dagvaarding spant huurder Louw van der Wurf, veehouder te Blauwkapel, een rechtszaak aan tegen zijn huisbaas Evert Adrianus van Emmerik. Het gaat om de huur van ‘een tapperij’ aan de Springweg te Utrecht. Het pand was volgens het contract pas gekocht door de huisbaas. Aanleiding voor de zaak tegen Van Emmerik is volgens de dagvaarding achterstallig onderhoud.
Dat is vreemd, want het pand is volgens de gevelsteen gebouwd in 1866 en op dat moment dus nog maar tien jaar oud. De rechtszaak zou gaan om enkele ‘reparatiën’ die de huisbaas had nagelaten uit te voeren. Helaas maakt een gat in het papier onleesbaar wat er gerepareerd moest worden. Duidelijk is wel dat er iets in het benedenhuis niet deugde, wat ‘door het geheele huis een ondragelijken st[ank veroorzaakt] en daardoor het gehuurde onbewoonbaar maakt.’
Het huurcontact geeft ons ook een paar jaartallen: de tapperij is door Van der Wurf gehuurd van 4 september 1875 tot 4 september 1881, voor een bedrag van 364 gulden per jaar. Deze jaartallen geven enig houvast bij onderzoek in het archief.

Een eerste bron die we te raadplegen is het adresboek van Utrecht van 1876-1877. In deze voorloper van het telefoonboek staat inderdaad een tapper L.G. van der Wurf, woonachtig in het pand B801 gelegen aan de Springweg. Maar is dit ook het huis waarin we het papier gevonden hebben?
Hiermee stuitten we op een van de grootste struikelblokken in historisch huizenonderzoek: adressen van huizen zijn in de loop van de negentiende eeuw nogal eens gewijzigd. Pas vanaf 1890 worden huizen met straatnaam en nummer aangeduid. Door nieuwbouw of sloop veranderde deze nummering nogal eens waardoor een pand steeds weer een ander adres kreeg.
De enige rode draad door al deze adressen is het kadastraal nummer. Via de archieven van het kadaster is tot 1812 terug te vinden welke adressen bij een bepaald kadastraal nummer horen. Dit nummer werd en wordt altijd vermeld in de koopakte van een huis.

De gevelsteen gevonden

Wij nemen een kortere route om het vroegere adres van ons pand te vinden. We zoeken in het UDS, het Utrechts Documentatie Systeem. Dit is een documentatiesysteem voor de stad Utrecht waarin bouwhistorische gegevens per straat en soms per huis zijn vastgelegd. Het UDS is via internet en in het archief op papier te raadplegen.
De kaart in UDS voor ‘ons’ huis aan de Springweg levert bruikbare informatie op. Het bevat een lijstje van de verschillende adressen die het pand door tijd heen heeft gehad. Daarop zien we dat ons pand tot 1890 het adres B803 heeft gehad. De tapper Van der Wurf uit de dagvaarding woonde op B801, dat was dus maar twee huizen verderop!
In het UDS staat ook een verwijzing naar de bouwtekening van het huis: het werd gebouwd in 1866, als deel van een rijtje van ‘drie huizen voor P.J.H. Harmsen’. De panden B801, B802 en B803 werden tegelijkertijd voor deze eigenaar gebouwd. Ook de tekst van de gevelsteen is in het UDS opgenomen. Daarop staat: ‘De eerste steen gelegd door Anthonie Hermsen, oud 11 jaar, 14-4-1866.’.

Geen eigenaar?

Bij het Kadaster zijn ook gegevens over de eigenaren van huizen op te vragen. Van P.J.H. Harmsen weten we daardoor dat hij horlogemaker was en dat de huizen B801 tot en met B803 tot 1877 op zijn naam stonden.
Daarmee stelt het archief ons voor nieuwe vragen. Ten eerste lijkt de gevelsteen van ons huis niet te kloppen. Er staat op dat de steen werd gelegd door Anthonie Hermsen, en niet Harmsen. En een tweede vraag: waarom verhuurde in 1876 ene Van Emmerik het pand B801 aan Van der Wurf, terwijl hij volgens het Kadaster destijds helemaal niet de eigenaar van dat pand was?

Een zoektocht naar meer informatie over de familie Harmsen in het bevolkingsregister levert aanvankelijk niets op, er zijn veel Harmsens en Hermsens in Utrecht, maar geen Anthonie. Omdat we uit de Kadaster-gegevens weten dat alle panden van Harmsen in 1877 zijn verkocht, waarschijnlijk omdat Harmsen toen is overleden, gaan we zoeken in de overlijdensregisters van de stad. Daar vinden we in juni 1875 een mevrouw Harmsen. Uit haar overlijdensakte blijkt dat haar man, inderdaad Harmsen de horlogemaker, al eerder is overleden en dat zijn weduwe al zijn (dertien!) panden in bezit heeft gehouden. Het echtpaar Harmsen-Groothuizen had zes kinderen waarvan de jongste Anthonie heette. Deze Anthonie werd in 1854 geboren en moet de eerste steenlegger geweest zijn van de drie huizen aan de Springweg.

Met deze ontdekking is wellicht ook verklaard waarom de Van Emmerik uit onze papieren optrad als huisbaas. Hij heeft het pand B801 waarschijnlijk gekocht van de erven Harmsen na het overlijden van hun moeder. Omdat de verkoop pas in 1877 werd vastgelegd in het kadaster kon van Emmerik zich pas vanaf dat moment officiëel eigenaar noemen. Daarom wilde hij in 1876 misschien nog niets aan het pand repareren en kreeg hij een conflict met zijn huurder Van der Wurf.

>>